Het ING-aandeel geeft je een belang in een bank waarvan winst en risico samenhangen met leningen, klanttegoeden en dienstverlening. Wie alleen het dividend of de winst per aandeel bekijkt, mist de kwaliteit van de kredietportefeuille en het kapitaal dat nodig is om die winst te verdienen.
Wat bezit je met een aandeel ING?
ING combineert Retail Banking met Wholesale Banking. Bij retail gaat het onder meer om betaalrekeningen, sparen, hypotheken, consumentenleningen en dienstverlening aan kleinere bedrijven. Wholesale bedient grote ondernemingen en instellingen met financiering, betalingsverkeer, handelsfinanciering en financiëlemarktproducten. De Nederlandse consumentenbank is dus maar een deel van het beursgenoteerde concern.
Een bankbalans werkt anders dan de balans van een fabrikant. Een verstrekte hypotheek is een bezit: ING heeft een vordering op de klant. Spaargeld is voor de bank een verplichting: de klant kan terugbetaling verlangen. Het verschil wordt niet uitsluitend met aandelenkapitaal gefinancierd; er zijn ook andere financieringsbronnen en verplichtingen. Het aandeel is de resterende aanspraak nadat verplichtingen zijn voldaan. Een spaarrekening en een aandeel in dezelfde bank zijn daarom economisch heel verschillende bezittingen.
Waar komt het resultaat vandaan?
De jaarrekening over 2025 rapporteert volgens IFRS-EU €23,035 miljard totale inkomsten, €14,681 miljard netto rente-inkomsten, €4,602 miljard netto provisies en €6,327 miljard nettowinst voor aandeelhouders van ING Groep. Dit zijn jaarbedragen, geen actuele verwachting voor 2026.
Netto rente-inkomsten zijn ontvangen rentebaten minus rentelasten. Provisies komen voort uit dienstverlening, zoals betalingen, beleggingsproducten en financiering. Vervolgens kosten personeel, technologie, toezicht en kredietverliezen geld. Totale inkomsten zijn dus iets anders dan nettowinst.
In de rapportage staat ook commercial net interest income. Dat is een eigen uitsplitsing van de commerciële rente-inkomsten, niet een tweede naam voor de totale netto rentebaten. Voor vergelijkingen moet je dezelfde regel uit de winst-en-verliesrekening gebruiken. Wie het ene kwartaal een commercieel cijfer neemt en het volgende kwartaal het totale cijfer, kan een kunstmatige groeisprong creëren.
Waarom een hogere rente niet automatisch meer winst betekent
Een bank verdient niet simpelweg de ECB-rente over al het spaargeld. De rente die klanten betalen, de vergoeding op deposito’s, de looptijd van contracten en de afdekking van renterisico lopen door elkaar. Een hypotheek met jarenlange rentevastheid reageert anders op een beleidsbesluit dan een nieuw afgesloten lening. Klanten kunnen bovendien hun geld verplaatsen als een andere bank meer vergoedt.
Een fictieve bank ontvangt 3,5% over €100 miljard rentedragende bezittingen en betaalt 2% over €90 miljard financiering. De eenvoudige rentemarge in euro’s is dan €3,5 miljard min €1,8 miljard, dus €1,7 miljard. Stijgt alleen de financieringsvergoeding naar 2,5%, dan resteert €1,25 miljard. Dat is €450 miljoen minder, hoewel de marktrente hoger is. Werkelijke bankrekeningen bevatten meer posten, maar de afhankelijkheid van beide kanten van de balans blijft.
Let daarnaast op de samenstelling van nieuwe kredieten. Meer hypotheken kunnen een lagere gemiddelde renteopslag opleveren dan meer risicovolle bedrijfsleningen. Toch kan de verhouding tussen opbrengst, verwachte verliezen en benodigd kapitaal aantrekkelijker zijn. Een dalende marge bewijst daardoor op zichzelf niet dat de bank slechter zaken doet.
Meer provisies: welke klantactiviteit zit erachter?
Provisie-inkomsten kunnen de afhankelijkheid van rentemarges verkleinen. Maar ook provisies hebben verschillende economische eigenschappen. Een vergoeding voor een betaalpakket is anders dan een opbrengst uit een grote financieringstransactie. Beleggingsdienstverlening kan profiteren van meer klanten, meer transacties of hogere vermogenswaarden. Die oorzaken zijn niet onderling uitwisselbaar.
Stel dat beheerd vermogen met 12% groeit terwijl de beurs 10% stijgt. Dan volgt daar niet uit dat klanten 12% meer nieuw geld hebben ingebracht. Bij handelsprovisies kan uitzonderlijke onrust juist tijdelijk veel transacties veroorzaken. En een prijsverhoging verhoogt inkomsten zolang klanten blijven, maar kan tegelijk de aantrekkelijkheid van het aanbod beïnvloeden.
Lees klantgroei daarom naast productgebruik en inkomsten per activiteit. Een app-installatie is niet hetzelfde als een duurzame bankrelatie. De waarde ontstaat wanneer de klant de rekening gebruikt, geld aanhoudt en diensten afneemt tegen kosten die de bank kan dragen.
Kredietverliezen kunnen de winst snel veranderen
Niet iedere klant betaalt volledig terug. Banken verwerken verwachte kredietverliezen via voorzieningen. Dat is niet uitsluitend een registratie van faillissementen die al hebben plaatsgevonden: verslechterde vooruitzichten kunnen eerder tot hogere voorzieningen leiden. Omgekeerd kunnen vrijvallen de gerapporteerde kosten verlagen.
In een fictieve portefeuille van €100 miljard betekent een jaarlijkse kredietkostenratio van 0,2% €200 miljoen kosten. Bij 0,5% wordt dat €500 miljoen. Die extra €300 miljoen verdwijnt uit het resultaat vóór belasting, ook als de rente-inkomsten gelijk blijven. Een kleine verschuiving in procentpunten kan daardoor een grote winstverandering veroorzaken.
ING meldde voor het tweede kwartaal van 2026 kredietkosten van 15 basispunten op gemiddelde klantleningen. Die periode profiteerde onder meer van bepaalde vrijvallen en verkopen van probleemleningen. Gebruik één gunstig kwartaal dus niet als vaste verliesaanname voor een hele economische cyclus.
Een bruikbare vervolgvraag is waar problemen zich ophopen. Huishoudens, commerciële vastgoedbedrijven en internationale ondernemingen reageren verschillend op werkloosheid, herfinanciering en economische tegenwind. Ook onderpand heeft pas waarde als het tijdig en tegen een bruikbare prijs kan worden uitgewonnen.
CET1: een kapitaalbuffer, geen kasvoorraad
ING rapporteerde eind juni 2026 een CET1-ratio van 13,1%. Deze verhouding zet het relevante kernkapitaal af tegen risicogewogen activa. Zij zegt niet dat 13,1% van alle klanttegoeden als direct beschikbaar geld in een kluis ligt. Liquiditeit en solvabiliteit beantwoorden verschillende vragen.
Een fictief kapitaal van €13 miljard tegenover €100 miljard risicogewogen activa geeft 13%. Groeit de noemer naar €110 miljard terwijl het kapitaal gelijk blijft, dan daalt de ratio naar ongeveer 11,8%. Daarvoor hoeft geen verlies te zijn geleden. Groei kan dus kapitaal vragen. Omgekeerd kan een ratio stijgen doordat risico wordt afgebouwd of overgedragen.
Lees daarom de aansluiting van begin- naar eindkapitaal. Winst kan de buffer vergroten; dividenden en aandeleninkoop kunnen hem verkleinen. Nieuwe leningen, modelwijzigingen en veranderingen in het risicoprofiel beïnvloeden de noemer. Alleen het eindpercentage vertelt niet welke beweging plaatsvond.
Ook bij een behoorlijke kapitaalbuffer blijft financieringsstabiliteit relevant. De looptijd en spreiding van deposito’s, toegang tot andere financiering en beschikbare liquide middelen verdienen een aparte beoordeling. Een gunstige kapitaalratio vervangt die analyse niet.
ROTE vergelijken zonder een meetfout
Vanaf 2026 gebruikt ING ROTE als centrale rendementsmaatstaf. De bank deelt het geannualiseerde nettoresultaat door gemiddeld IFRS-EU-aandeelhoudersvermogen, na aftrek van immateriële activa en gereserveerde winst die niet in CET1 is opgenomen. Vergelijk dit niet rechtstreeks met een oudere ROE die een andere definitie volgt.
Neem een fictieve winst van €6 miljard en gemiddeld eigen vermogen van €50 miljard. Dat is 12%. Wordt voor een andere maatstaf €5 miljard van de noemer afgetrokken, dan wordt dezelfde winst gedeeld door €45 miljard: 13,3%. Er is geen extra euro verdiend. De maatstaf kan nuttig zijn, maar het verschil vraagt uitleg.
ING rapporteerde 17,0% ROTE voor het tweede kwartaal van 2026 en 14,5% over een voortschrijdende periode van vier kwartalen. Het eerste cijfer is een kwartaalrendement omgerekend naar jaarbasis. Het is geen reeds gerealiseerd rendement over heel 2026 en ook geen rendement dat de aandeelhouder op zijn aankoopprijs krijgt.
Kosten, winst per aandeel en waardering verbinden
De kosten-inkomstenratio laat zien welk deel van de inkomsten opgaat aan bedrijfskosten. Bij €10 miljard inkomsten en €6 miljard kosten is dat 60%. Stijgen de inkomsten naar €12 miljard en de kosten naar €6,6 miljard, dan verbetert de ratio naar 55%, hoewel de kosten 10% hoger zijn. Een betere ratio bewijst dus niet dat er absoluut is bezuinigd.
Bij kwartalen moet je bovendien rekening houden met het moment waarop jaarlijkse heffingen worden geboekt. Kijk naar vergelijkbare perioden en lees welke incidentele posten uit een aangepaste maatstaf zijn verwijderd. Een reorganisatie kan toekomstig voordeel opleveren, maar de huidige rekening is wel echt.
Winst per aandeel kan sneller groeien dan de totale winst wanneer aandelen worden ingekocht. Dat verandert de verdeling over de resterende aandelen. Of die inkoop waarde toevoegt, hangt ook af van de betaalde prijs en van de alternatieve besteding van het kapitaal.
De koers-boekwaardeverhouding helpt vervolgens om marktwaarde en boekhoudkundig vermogen naast elkaar te zetten. Onder boekwaarde betekent niet automatisch goedkoop: het vermogen kan onvoldoende renderen of toekomstige verliezen opvangen. Boven boekwaarde betekent evenmin automatisch duur. De relevante vraag is welk duurzaam rendement na kredietverliezen en kosten tegenover de prijs staat.
Een volgende ING-rapportage gericht lezen
Begin bij de herkomst van de inkomsten: verandert vooral het leningvolume, de rentemarge of de provisieactiviteit? Kijk daarna of bedrijfskosten en kredietverliezen dezelfde kant op bewegen. Maak vervolgens de koppeling met kapitaal: hoeveel vermogen blijft nodig om die activiteiten te dragen?
Pas daarna krijgen dividend en aandeleninkoop hun juiste plaats. Het zijn uitkeringen aan aandeelhouders, geen zelfstandig verdienmodel. Ze vragen ruimte naast de financiering van bedrijfsactiviteiten en het opvangen van tegenvallers. Een hoog historisch uitkeringsbedrag garandeert geen toekomstig bedrag.
Dit dossier gebruikt de jaarrekening 2025 en de op 30 juli gepubliceerde tweede kwartaalcijfers van 2026, gecontroleerd op 14 oktober 2026. Het bevat geen actuele koers, koersdoel of oordeel dat ING bij een bepaalde prijs gekocht moet worden.
Bronnen en controle
Gecontroleerd op 14 oktober 2026. Rekenvoorbeelden zijn fictief en geen actuele koersen. De geraadpleegde primaire bronnen en de gebruikte onderdelen staan hieronder.
- ING Annual Report 2025: Jaarrekening en financiële toelichting, in het bijzonder financiële prestaties p. 26–29; IFRS-EU-cijfers en opbouw inkomsten. PDF lokaal uitgelezen; niet geclaimd volledig integraal gelezen.
- ING resultaten tweede kwartaal 2026: Geconsolideerde resultaten p. 3–5, kapitaal- en ROTE-toelichting; definities en periodeaanduidingen gecontroleerd.
Ook inhoudelijk vergeleken met Morningstar: ING en provisie-inkomsten, VEB: ING en de nieuwe rendementsmaatstaf.